Te midden van de Warp-expo ‘Zelfportretten’ van Jan Buytaert, gaat deze lezing over het ‘ik’ en de neurologische basis van identiteit. Wat maakt elk van ons uniek? En zijn wij mensen wel zo uniek als we denken? Kunnen onze gaven geëvenaard worden door machines? Je krijgt inzicht in de werking van onze hersenen en waarin die verschillen van computers. Op het kruispunt tussen wetenschap en filosofie worden begrippen als persoonlijkheid, creativiteit en intelligentie op begrijpelijke manier verder uitgediept.)
ZELFBEWUSTZIJN
(citaat uit 'Fantastisch' van Dr. Kris Verburgh)
Laten we een gooi doen naar de allerhoogste vorm van bewustzijn: het ‘ik’, of het zelfbewustzijn. Het ik is het samenraapsel van al onze gedachten die geboren worden uit een soep van zintuiglijke indrukken, vermengd met gevoelens waar een snuifje herinneringen aan toegevoegd wordt. Dit is natuurlijk een weinig wetenschappelijke benadering voor het pure ik. Laten we er daarom wat definities tegenaan gooien, conform de wetenschappelijke methode.
We hebben het ik of het zelfbewustzijn en het bewustzijn. Deze begrippen lijken allemaal wat op elkaar, maar toch niet helemaal. Om te beginnen is het mogelijk om een bewustzijn te hebben, maar toch geen zelfbewustzijn. Dat kan het geval zijn bij dieren die kleuren kunnen zien, geluiden horen en emoties ervaren en weten dat ze dat zien, horen en voelen, maar die zichzelf niet herkennen, in een spiegel bijvoorbeeld. Daarbij horen ook leden van de menselijke soort: baby’s. Tot ze anderhalf jaar oud zijn herkennen baby’s zichzelf niet in de spiegel, terwijl we wel mogen veronderstellen dat ze de wereld ervaren. Alleen is er geen ik dat centraal staat in die wereld van ervaringen. Volwassenen, mensapen, dolfijnen en olifanten kunnen zich in een spiegel herkennen. Als je op het voorhoofd van een verdoofde chimpansee een dikke stip verft, dan zal hij die later in de spiegel bekijken en proberen af te vegen. Een vrouwtjes orang-oetan in een zoo kreeg zelfs een spiegel cadeau en maakte op een dag van groentenbladeren en fruit een hoed, die ze op haar hoofd zette en dan voor de spiegel verder verfraaide.
Het bewustzijn en het ik zijn dus twee verschillende zaken. Een zelfbewustzijn daarentegen is zoiets als het ik, namelijk weten dat je bestaat, dat die prikkels geïnterpreteerd worden door iemand die jouw naam draagt. Een wezen met zelfbewustzijn weet dat het een plaats in de werkelijkheid inneemt, een plek waar alle prikkels samenkomen en versmelten tot gedachten en gevoelens die maar van één iemand zijn. Maar laten we ons eerst even de wereld van een dier voorstellen dat geen ‘ik-besef’, maar wel een bewustzijn heeft.
Zoals misschien een konijn. Experimenten met spiegels wijzen erop dat konijnen zichzelf niet kunnen herkennen. Daarom veronderstellen de meeste wetenschappers dat de gedachte ‘Hé, ik ben een konijn!’ niet kan ontspruiten aan de twaalf gram wegende hersens van een konijntje. Geen zelfbewustzijn dus, maar wel een bewustzijn, althans als we de pro-dierenbewustzijnsargumenten van daarnet aanvaarden.
Een konijn met een bewustzijn ziet en interpreteert de werkelijkheid dan ook echt. Het is geen gevoelloze robot, met ogen als camera’s die niet weten wat ze filmen. Het dier ziet, hoort, ruikt en ervaart ook en voelt eveneens emoties. Wanneer iemand
met voedsel aankomt raakt het opgewonden, is het blij en wordt het die gevoelens ook gewaar. Alleen zal het niet weten dat die gevoelens van hem of haar zijn. Het zal nooit denken: ‘Oh, wat voel ik me blij’. Het is gewoon blij, dat is alles. U kunt zich de
wereld van een konijn het best voorstellen door gewoon om u heen te kijken en nergens aan te denken. U ziet dan nog altijd kleuren en vormen, hoort nog altijd geluiden en voelt zich nog altijd tevreden of gelukkig. Zolang u niet denkt, bent u gewoon
ontvankelijk voor de wereld om u heen. U hebt nog steeds een bewustzijn en u wordt de werkelijkheid nog altijd gewaar, net zoals een konijn. Maar vanaf het moment dat gedachten in de vorm van taal, in de vorm van woorden, in uw geest gevormd
worden, komt ook meteen dat ik-besef tevoorschijn. Zoals ‘waarom ben ik in godsnaam aan het doen alsof ik een konijn ben?’ of ‘ik moet dringend nog boodschappen doen’. Kortom, uw ik verschijnt weer en domineert uw geest en lichaam door
het creëren van duizend en één gedachten als ik moet, ik wil, ik zal, ik zou, enzovoort… Misschien is het soms wel beter om geen ik te hebben, zoals we later nog zullen zien.
U kunt de menselijke geest voorstellen als een zee van onbewuste gedachten, waarover een soort spot schijnt die slechts één
gedachte tegelijkertijd belicht. Die gedachte wordt bewust ervaren. Voor even dan, want nog geen fractie van een seconde later
verschuift het lichtschijnsel naar een andere plek, waar weereen andere bewuste gedachte voor even de bovenhand voert.
Eén gedachte tegelijk dus, en wanneer al die gedachten elkaar opvolgen krijgen we een stroom van gedachten. Deze gedachtestroom is het ik. Maar hoe worden die gedachten gecreëerd? En
wat is dat ‘licht’ dat telkens de juiste gedachte in onze gedachtenzee doet oplichten? Wie is de vuurtorenwachter in ons hoofd?
We weten het niet. Toch zou de evolutietheorie een deel van het antwoord kunnen bevatten. De wetten van de evolutie hoeven immers niet altijd op soorten of organismen toegepast te worden. We hebben al een voorbeeld gezien waarbij dat het
geval is, namelijk het ontstaan van het leven. Ook daar was al sprake van survival of the fittest nog voor er soorten waren.
Nog zelfs voor er leven was. Het waren toen immers moleculen die ook al evolueerden. Dat was miljarden jaren geleden, maar
evolueren is vandaag de dag nog steeds mogelijk. In ons lichaam kunnen eveneens onderdelen ervan evolueren. Laten we eerst
een gekend voorbeeld bespreken dat aantoont dat zelfs in ons lichaam evolutie plaatsvindt (zoals het geval is wanneer we ziek
worden), om vervolgens te zien hoe een soortgelijk evolutieproces een rol kan spelen bij het ontstaan van gedachten.